NO-GO-AREAS

Kippa

Ende Mai 2019 warnte der Antisemitismus-Beauftragte der Bundesregierung die (männlichen) jüdischen Bürger in Deutschland davor, im öffentlichen Raum eine Kippa aufzusetzen. Die Tagesschauseite zitiert ihn mit der Aussage: “Ich kann Juden nicht empfehlen, jederzeit überall in Deutschland die Kippa zu tragen.”.  Mit dieser Stellungnahme sagt Klein indirekt, dass der Staat im öffentlichen Raum nicht mehr in der erforderlichen Weise die öffentliche Ordnung aufrechterhalten kann. Die ‚erforderliche Weise’ ergibt sich aus Artikel 4 des Grundgesetzes, der die Glaubensfreiheit garantiert. Im Falle des Kippatragens geht es dann um die Glaubensfreiheit in Form der Bekenntnisfreiheit.

Betrachtet man die Sache aus der Sicht der betroffenen männlichen jüdischen Mitbürger, dann bedeutet dies, dass sie im öffentlichen Raum für ihren eigenen Schutz verantwortlich sind. Und dieser Selbstschutz liegt dann darin, dass keine Kippa getragen wird. Mit anderen Worten das Bekenntnis zum (jüdischen) Glauben ist nicht mehr möglich, ohne Gefährdung an Leib und Leben.

Die Situation erinnert an diejenige der jüdischen Stadtbewohner im späten Mittelalter. Diese mussten auch für ihre eigene Sicherheit sorgen, so zum Beispiel einfach dadurch, dass sie (freiwillig oder gezwungenermaßen) in abgrenzbaren und teilweise abschließbaren Vierteln wohnten. So ordnete zum Beispiel die Stadt Frankfurt am Main per Ratsbeschluss an, dass die jüdischen Bewohner während der Aufführung von Passionsspielen für ihre eigene Sicherheit sorgen mussten. Dies bedeutete dann konkret, dass sie in ihren Vierteln bleiben mussten, und – selbstverständlich auf ihre eigenen Kosten – Wachpersonal anstellen sollten (Siehe Dorothea Freise: Geistliche Spiele in der Stadt des ausgehenden Mittelalters. Göttingen: Vandenhoek & Ruprecht 2002, S. 89ff.)

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Middeleeuwse methodes?

mm1

                                         1077: Mathilde van Toscane, Gregorius (met staf) en – een knieval makend – Hendrik

‘Middeleeuwse methodes’ kopte een locale krant uit Zuid-Duitsland op 3 juli 2019, zonder verder uitleg erbij, blijkbaar na een uitspraak van D66 EU-parlementariër Sophia in ‘t Veldt. De Nederlandse volkskrant wordt een dag later al duidelijker: ‘In de 11de eeuw waren het de Duitse keizer en de paus van Rome, die streden over de benoeming (investituur) van de bisschoppen. De keizer ging tenslotte door de knieën. Tien eeuwen later gaat de strijd tussen de nationale regeringen en de volksvertegenwoordiging.”

Waar gaat het hier om en waarom deze paralleltrekking? En waarom is er op eens zoveel middeleeuwse terminologie mee gemoeid?

Het gaat om de benoeming van de opvolger van Jean-Claude Juncker, de nog zittende voorzitter van de Europese Commissie. De Europese leiders, samengekomen in de Europese Raad, hebben uiteindelijk de Duitse politica Ursula von der Leyen voorgedragen voor benoeming. Het kenmerkende van Von der Leyen in deze context is dat zij geen Spitzenkandidat was tijdens de Europese verkiezingen en ook geen lid is van het Europese Parlement. Het Europese Parlement ziet een mogelijke benoeming van Von der Leyen niet alleen als een stap achteruit wat betreft democratische processen op Europees niveau maar ook als een negeren van zijn macht positie. Dus, en hier komt het beeld van de Middeleeuwen opduiken, wie mag nu eigenlijk de benoeming van de voorzitter van de Europese Commissie bepalen? De staatshoofden van de lidstaten of het Europese Parlement of allebei?

Deze vraag – wie heeft het recht tot benoeming van de voorzitter – roept het beeld op van de conflict tussen de Duitse keizer Hendrik IV (1056-1106)  en paus Gregorius VII (‘ambtsperiode’: 1073-85). Een ruzietje dat in de geschiedenis is ingegaan als ‘investituur strijd’. Deze strijd heeft een lange voorgeschiedenis die in de 10de eeuw begon met een hervormingsbeweging die uitging van het klooster Cluny dat in Bourgondië in Frankrijk lag. Het doel van deze hervormingsbeweging was elke vorm van misstand binnen te kerk te corrigeren. Als misstanden werden gezien dat priesters niet celibatair leefden, dat simonie aan de orde van de dag was, en dat het kerk personeel door de wereldlijke macht benoemd werd, de zogenaamde leken investituur. Vooral het laatst genoemde punt was het meest belangrijke want bisschoppen evenals abten namen als bestuurders van grote territoria ook en vooral wereldlijke taken waar. Dat betekent dat de keizer er een groot belang bij had om te bepalen aan wie de baan van een bisschop of abt werd gegeven. Was diegene loyaal tegenover hem of juist niet? Was hij een steunpillar of viel hij hem in rug aan?

Paus Gregorius wilde vooral af van de laatst genoemde leken investituur om zijn visie van een wereld kerk te verspreiden. Of positief geformuleerd hij wilde dat kerkelijke banen en functies volgens procedures worden toegedeeld waarover de keizer (en wereldlijke heerser überhaupt) weinig te zeggen hebben.  Hij wilde dus dat niet de keizer maar hij (of zijn vertegenwoordiger) aan een bisschop de ring en de staf gaf, de symbolen van zijn ambtsmacht.

mm2

Vandaar dat Gregorius – op een voor hem gunstig moment − de benoeming van kerk personeel door een wereldlijke macht verbood, en dan in het bijzonder van bisschoppen. De keizer en zijn vazallen negeerden het bovengenoemde bevel om de genoemde redenen. Er kwam het moment van confrontatie tussen de twee tijdgenoten, keizer Hendrik IV en paus Gregorius VII. Wie zal de sterkere zijn? Of zo als de volkskrant het verwoorde: “Wie zal door de knieën gaan?” Paus Gregorius reageerde met het ultieme wapen dat het toenmalige ambt van paus hem gaf: de excommunicatie. Excommunicatie betekende op de eerste plaats dat geen priester de sacramenten aan de keizer mocht toedienen maar ook dat zijn onderdanen, dus in eerste plaats de bisschoppen, hem niet meer moesten gehoorzamen. Hendrik reageerde op deze excommunicatie met een soort ‘tegen-excommunicatie’, want hij stuurde een brief waarin stond dat Gregorius een ‘valse’ paus was en moest opstappen. Deze actie werd beantwoord met veel propaganda door pauselijke afgevaardigden en leidde ertoe dat de Duitse adel van Hendrik eiste dat hij van de paus absolutie zou vragen op een ‘congres’ waarvan de paus de voorzitter zou zijn. De consequentie van dit congres zou zijn geweest dat Hendrik onttroond zou worden. Om deze consequentie te voorkomen is Hendrik op de weg gegaan om de paus te ontmoeten voor dat hij de voorzitterschap van deze bijeenkomst zou kunnen aanvaarden. Hendrik ‘ontmoette’ de paus bij Canossa – dat wil zeggen voor het overschrijden van de Alpen – op het kasteel van de Markgravin Mathilde van Toscane, waar de paus logeerde. De paus was niet echt blij om Hendrik op dit moment op deze plek te ontmoeten, want hij voelde aan zijn klompen aan dat dit het einde van zijn plannen zou kunnen betekenen. Inderdaad wenste Hendrik dat de paus hem – in zijn rol als priester − zijn zonden zou vergeven. Het toedienen van dit sacrament zou Hendrik twee voordelen bringen: Ten eerste uitte hij hiermee dat hij Gregorius als paus erkende en ten tweede werd hierdoor de dreigende (onttronings-) congres overbodig. Samenvattend kan men hier vaststellen dat Hendrik − door een deemoedige geste naar buiten te maken − op dit moment zijn doel bereikte terwijl paus Gregorius dat niet deed. Dus anders dan het gezegde – de gang naar Canossa – en ook anders als de formulering in de volkskrant doet vermoeden was Hendrik de winnaar van dit geïntrigeer.

Wij komen terug op de toestanden rond de benoeming van de voorzitter van de Europese Commissie. Als men het middeleeuwse beeld wil toepassen op deze situatie dan kan veilig gesteld worden dat het ook hier om macht gaat in verband met het toekennen van banen. Maar de vraag is: Wie is in dit hedendaagse scenario de paus en wie de keizer? Duidelijk is dat de Europese leiders niet gedaan hebben wat het Europese Parlement wilde, namelijk één van hen Spitzenkandidaten voor te stellen voor benoeming. Zij, de Europese leiders, hebben een eigen kandidaat benoemd. Met andere woorden, net zoals Hendrik IV, hebben ze iemand benoemd die hen goed uitkwam. Dus het Europese Parlement is eigenlijk net zoals Gregorius de dupe: de parlementariër zijn gepasseerd, ze lijken net als een tandeloze tijger. De vraag is nu of ze Von der Leyen wegstemmen (wat ze kunnen) of of Von der Leyen hen ‘om’ krijgt door ‘een gang naar Canossa’.

mm3

 

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Das Gewissen?!

geweten

Das Gewissen?!

In der Ausgabe des SPIEGELS vom 22. Mai 2019 ist ein Interview des SPIEGELkorrespondenten Jens Glüsing mit dem 73-jährigen Ex-, Expräsidenten Brasiliens, Lula da Silva, aufgezeichnet, der sich wegen Korruptionsvorwürfen im Gefängnis befindet.  Der SPIEGELkorrespondent und “Lula“ sprechen über die Lage des Landes nach einer demokratischen Machtübernahme am 1. Januar 2019 durch Jair Bolsonaro und seine Partei, die PSL (Partido Social Liberal).

In diesem Interview weist Lula darauf hin, welche Bedeutung es hat, bestimmte Worte zu benutzen oder eben nicht zu benutzen: „ Die Wörter Beschäftigung, Wachstum, Investitionen und Entwicklung kommen bei ihm [Bolsonaro] nicht vor.“. (SPIEGEL Nr. 22/2019, 84).

Interessant ist auch, welche Worte Lula benutzt. So antwortet er auf die Frage, warum er sich nicht dadurch in Sicherheit gebracht hat, dass er sich nach Uruguay ins Exil absetzte: „[…] Ich will beweisen, dass jene, die mich anklagen, Lügner sind. Und wenn ich das in der Haft tun muss – ich habe ein reines Gewissen.“.

Lula beruft sich hier ganz eindeutig auf sein ‚Gewissen‘ als moralische Instanz, die sein Handeln leitet. Lula nimmt damit Rekurs auf ein Phänomen, das empirisch nicht fassbar ist, jedoch als Instanz, die Entscheidungen trifft , angenommen wird. Diese Instanz erlebte ihren ersten Höhenflug in den Erläuterungen des Theologen und Philosophen Bonaventura (1221-1274). Dieser bezeichnete das Gewissen als „praeco Dei et nuntius”,[1] d.h. als einen Herold und Boten Gottes. Mit anderen Worten, nach dieser Auffassung hat das Gewissen eindeutig eine transzendente Anbindung, durch die der Mensch ‚die Stimme Gottes‘ wahrnimmt. Folgt er dieser Stimme nicht, so ist nicht nur sein Seelenheil gefährdet, sondern es droht auch Schlaflosigkeit.  Lula: „ Richter Moro und die Staatsanwälte, die mich hinter Gitter gebracht haben, schlafen nicht so ruhig wie ich, davon bin ich überzeugt.“. (SPIEGEL Nr. 22/2019, 83).  Dieser Gedanke ist nicht neu. Auch Herodes, der durch den Tanz der Salome derart in Verzückung geriet, dass er ihr die Erfüllung jedes Wunsches versprach (Mk 6,23), litt nach der Enthauptung von Johannes dem Täufer (der erfüllte Wunsch) an Schlaflosigkeit. So zumindest wird es in zahlreichen Passionsspielen dargestellt.

Zu Zeiten der Reformation, und sicher in deren Frühphase (1517-1524), war das ‚Gewissen‘ ein religiös-politischer Kampfbegriff. Eine Instanz der unmittelbaren Gottesbegegnung des  Gläubigen mit Gott, am drastischsten und dramaturgisch effektivsten vorgeführt in Martin Luthers Auftreten auf dem Wormser Reichstag (1521), als er sagte: „ […] Daher kann und will ich nichts widerrufen, weil wider das Gewissen etwas zu tun weder sicher noch heilsam ist. […]“.[2]

In demselben Interview antwortet Lula auf die Frage, ob die Arbeiterpartei, und damit die Partei Lulas,  nicht auch am Niedergang Brasiliens Schuld trage: „ […] Ich trage mein Kreuz, aber die Sünden wurden von anderen begangen.”. Die Aussage als solche knüpft an die Satisfaktionslehre des Anselms von Canterbury (1033-1109) an, mit deren Hilfe die christliche Kirche das Paradox erklärt, dass  − trotz eines allmächtigen Gottes – ein unschuldiger Mensch, d.h. ein Mensch ohne Sünden, gekreuzigt wurde. Nach dieser Lehre ist die Kreuzigung Jesu als eine Opfergabe für einen durch die Sünden der Menschen erzürnten Gott zu sehen. Es drückt sich hier ein sehr alter, auch mythischer, Vergeltungsgedanke aus, wonach einer geopfert wird, so dass nicht alle sterben müssen. Ein Argument, das im Übrigen auch die Pharisäer benutzen, um ein Todesurteil gegen Jesus von Pilatus zu erwirken.

Interpretiert man die Aussage Lulas vor diesem Hintergrund, so ist auch er ein Opfer, das für die Taten anderer einstehen muss.

[1] Zitiert nach Friedhelm Krüger: Gewissen. III. Mittelalter und Reformationszeit, in: Gerhard Krause et al. (Hg.): Theologische Realenzyklopädie. Band 13. Berlin 1984. S. 219-225, hier S. 220.
[2] Dt. Reichstagsakten, Jüngere Reihe, Band II, n. 80, S. 581–582. Das gesamte Zitat, welches von Seite 581 nach 582 läuft, lautet: „‘Da ich durch die angeführten Schriftstellen überwunden bin und mein Gewissen in Gottes Wort gefangen ist, kann und will ich nicht widerrufen, weil gegen das Gewissen zu handeln weder sicher noch recht ist’“.
Posted in Uncategorized | Leave a comment

Middeleeuwse krampen

homosVolkskrant van 28 maart 2019

 

‘Middeleeuwse’ krampen

In haar tweede katern van donderdag 28 maart 2019 bespreekt de volkskrant, zoals elke week, films. Één van de recensies ging over de film Mario. Het korte en lange van het filmverhaal is dat het in het profvoetbal van tegenwoordig niet makkelijk is om een bekennende homo te zijn, met andere woorden uit de kast te komen en uit de kast te blijven. De kop van de recensie luidt: “Mario is een scherpe ontleding van een wereld waarin middeleeuwse krampen over mannelijkheid en seksualiteit regeren”.

Vandaar de vraag: Hoe zagen de middeleeuwse krampen over mannelijkheid en seksualiteit er dan uit? Of misschien moet de vraag helemaal anders gesteld worden zoals: Bestond er in de christelijke middeleeuwen überhaupt zoiets als homoseksualiteit, met andere woorden bestond er een discours hierover?

Inderdaad bestond er een discours hierover, echter niet onder het term ‘homoseksualiteit’ maar onder die van ‘sodomie’. Met deze begripsvorming is meteen aangeduid hoe de hazen lopen. De term ‘sodomie’ is afgeleid van de naam van de stad Sodom, samen met haar zusterstad Gomorra bekend als de poel van zonde en verderf bij uitstek (1e boek Mozes (Genesis) 18.20; 19. 4-9). Deze steden heeft de god van het oude testament vernietigd vanwege alles wat daar gebeurde (of het specifiek met homoseksualiteit te maken had is onbekend, waarschijnlijk was er meer aan de hand).

Als de gezaghebbende vertegenwoordiger van de desbetreffende discours zou hier Thomas van Aquino (1225-1274) genoemd worden, die net zoals alle anderen kerkmannen voor en na hem van mening was dat seksualiteit slechts één doel kent namelijk de reproductie. Al het andere is ziek, zondig en contra naturam. Hieronder valt uiteraard dan ook zelfbediening.

In de realiteit kreeg deze binnenkloosterlijke geleerdendiscours echter een heel scherpe kant doordat met het opkomen van de kettervervolgingen vanaf de 11e eeuw ook de vervolging van de zogenoemde ‘sodomieten’ toenam. Het ketterse ervan was dat hun – naar men aannam − seksueel gedrag in tegenspraak met de ware leer van de kerk stond. De fobie werd versterkt doordat gesuggereerd werd dat deze mensen in contact stonden met de duivel en met diens heksen – een contact dat uiteraard aanleiding gaf tot een heleboel handelingen contra naturam.

Het eerste strafrecht voor het hele Heilige Roomse Rijk – de na Karl V benoemde Constitutio Criminalis Carolina van 1532  – stelde seksualiteit tussen man en man, vrouw en vrouw, mens en dier strafbaar. En de straf was niet mals want het was de doodstraf door verbranding, de standaard straf voor ketters.

Dus, alles bij elkaar geen mooi plaatje.

Ik kom terug op de middeleeuwse krampen in de kleedkamer van de voetballclub en elders. Het is onduidelijk waarom de recensent juist op de middeleeuwen terug grijpt voor zijn vergelijking want er zijn voorbeelden die dichter bij huis zijn dan die christelijke middeleeuwen wat betreft de gang van zaken. Men krijgt meer de indruk dat de recensent niemand die dichter bij de tijd staat op de tenen wilde trappen en daarom in de ‘donkere’ middeleeuwen zijn toevlucht zocht voor het nog steeds gevoelige onderwerp. Dus, misschien meer verkrampt dan middeleeuws?

 

 

Posted in Uncategorized | Leave a comment

„Zurück ins Mittelalter”

Leinen war ein besonders beliebter Stoff, denn es war sehr saugfähig. Der Stoff wurde gewaschen und dann wieder benutzt. Jedoch wurde damals keine Unterwäsche getragen, also ließen viele es einfach laufen. Später konnten sie an eine Art Gürtel oder eine spezielle Menstruationshose geknüpft werden.

Am 5. März 2019 berichtete die Tagesschau unter dem Titel „Zurück ins Mittelalter“ über die Schwierigkeiten im gegenwärtigen Italien legal abzutreiben. Dies ist nach der Meldung im Wesentlichen darauf zurückzuführen ist, dass die in Italien praktizierenden Ärzte von ihrem gesetzlich zugestandenen Weigerungsrecht eine Abtreibung durchzuführen, stets zurückhaltender Gebrauch machen.  (https://www.tagesschau.de/ausland/abtreibungen-italien-101.html).

Der Titel ruft die für diesen Blog interessierende Frage auf, wie sich denn das Mittelalter zu diesem gesellschaftlich relevanten Thema verhielt. Behandelte die Antike Abtreibungshandlungen als unter die häusliche Zuchtgewalt des pater familias fallend, und damit deren Erlaubt- oder Unerlaubt-Sein als einen Ausfluss der patria potestas, änderte sich dies mit dem aufkommenden Christentum. Da das christliche Narrativ die Schwangerschaft Marias in einen religiösen Kontext stellt und damit auf die bekannte Art überhöht, wurde ihr Abbruch zum Sakrileg. Im weiteren Verlauf der christlichen Geistesgeschichte äußerten sich alle Theologen von Rang und Namen zu diesem Thema, selbstverständlich in abstracto. Dies bedeutete, dass ein Schwangerschaftsabbruch als ein religiöses Delikt verhandelt wurde, das sich wesentlich um die Frage drehte, ab wann der Fetus als Mensch gelte. Dies wiederum hing davon ab, inwiefern dem Fetus eine Seele zugeschrieben wurde. Mit der Beseelung war (und ist) nämlich der Fetus Teil des göttlichen Heilsplans und damit seine Beseitigung ein Tötungsdelikt. Für diesen Beseelungszeitpunkt standen, wie häufig bei gänzlich theoretischen Diskursen, mehrere Zeitpunkte zur Auswahl. So konnte man den Beginn des fetalen Lebens ab dem 7., 30., 35., 40., 42., 45., 60., 80., 90., 120., und auch 150. Tag nach der Empfängnis annehmen, bisweilen differenzierend danach, ob man vom männlichen oder weiblichen Geschlecht des Fetus ausging.

Neben diesen theoretischen Erörterungen muss die Frage nach den diesbezüglichen gesellschaftlichen Realitäten wohl weitgehend offen bleiben, “da die Verfolgung des Schwangerschaftsabbruchs bis ins 16 Jh. vorwiegend geistlich im Rahmen der Beicht- und Bußpraxis […]erfolgte.“. (Zitiert aus: Günter Jerouschek: Lebensschutz und Lebensbeginn. Die Geschichte des Abtreibungsverbots. Tübingen 2002, 192.)

Das heißt, dass “das weltliche Recht die Abtreibung grundsätzlich straflos ließ“ (a.a.O.), während vor allem die Beichtspiegel sich mit eindringlichen, das Gewissen befragenden Formulierungen, an die Sündigen richteten. Auch in den Predigten war dies selbstverständlich ein strukturell und instrumentell eingebauter  Gewissensbiss.

Es stellt sich daher die Frage, inwiefern die Überschrift “ Zurück in Mittelalter“ und die mit ihr suggerierte Parallelwertung gerechtfertigt ist. Eine wie auch immer ‘vergleichbare’ Situation, liegt auf einer tatsächlichen Ebene sicher nicht vor, da im Zeitrahmen des Mittelalters jeder Schwangerschaftsabbruch, unabhängig ob fahrlässig, vorsätzlich oder ohne fremde Einwirkung meistens zum Tod der Schwangeren führte, und sich ‘das Problem’ (in Verbindung mit der hohen Säuglings- und Kindersterblichkeit) oft von selbst erledigte. Möglicherweise weist der Vergleich aber auf ein mutatis mutandis ähnliches mentales Klima hin, das vorrangig von der Vermittlung von Schuldgefühlen geprägt ist.

 

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Was ist ‘neu-mittelalterliches’ Denken?

bosch

Hieronymus Bosch: Weltuntergangs-Triptychon, zu sehen in der Akademie der bildenden Künste in Wien.

In der volkskrant vom 31. Januar 2019 stand unter der Rubrik Opinie & Debat ein Artikel von Dina Chapajeva (Schreibweise der volkskrant), die Professorin für Russisch und Literary and Cultural Studies an der Georgia, Tech Universität, USA, ist. Der Artikel wurde von Menno Grootveld übersetzt und sein niederländischer Titel lautet: Vladimir Poetin en de apocalyps, was in der deutschen Sprache (selbstverständlich) ‘Vladimir Poetin und die Apokalpse‘ ist.

In diesem Artikel analysiert Chapajeva wie Poetin letztes Jahr, das heißt 2018, den Begriff ‚nuklare Apokalpse‘ in seiner Rhetorik einsetzte und wie seine Anhänger in den Medien hierauf ihrerseits mit apokalyptischen Narrativen reagierten. Verwiesen wird von den Anhängern dann im Rahmen dieses Diskurses auf das Buch der Offenbarungen, das letzte Buch aus dem Neuen Testament. Wie häufig bei religiös inspirierten Untergangsszenarios wird ein Tag des Gerichtes mit einem letzten Urteil prophezeit.

In ihrer Analyse erfasst Chapajeva diese Art des Denkens mit dem Begriff des ‚neu-mittelalterlich‘. Die volkskrant paraphrasiert ihre Aussage mit dem Satz: ‚In Russland ist eine Art neu-mittelalterliches Denken am Aufkommen.‘. Diese Feststellung impliziert, dass mittelalterliches Denken ‘neu‘ aufgelegt wird, was wiederum die Frage aufwirft, wie es denn mit dem diesbezüglichen mittelalterlichen Denken aussah.

In der Tat ist es so, dass Untergangsdiskurse, die sich auf das Buch der Offenbarungen stützen, das  gesamte abendländische Mittelalter durchzogen, jedoch ebenso in der frühen Neuzeit anwesend waren, teilweise die Aufklärung unbeschadet überlebt haben und bis auf den heutigen Tag zu beobachten sind!!

Exemplarisch für mittelalterliches Untergangsdenken im Sinne einer kosmischen Eschatologie ist das Denken des Reformators Martin Luther (1483-1546), der streng genommen gar nicht mehr zum Mittelalter zählt. In den berühmten Tischreden von 1532, soll Luther seine diesbezügliche Meinung kundgetan haben. Danach werde ‚Christus um Ostern erscheinen, und seine Stimme und Donner im Morgenwetter hören lassen‘, und zwar nicht nur für ihn Luther, sondern eben für alle.

Auch sein Kampfgefährte Philipp Melanchthon (1497-1560) hat sich zu diesem Thema geäußert. Er war jedoch der Ansicht, dass ihm und seinen Zeitgenossen vor dem Geschehen des kosmischen Weltuntergangs „noch eine Bleibefrist von vierhundert Jahren“ eingeräumt sei. Mit anderen Worten, ein Zeitraum, der mindestens fünf Generationen in die Zukunft reicht.  Eine Aussage für die Luther ihn tadelte.

Wenn man also davon ausgeht, dass Untergangsszenarios eigentlich Zukunftsvorstellungen sind, dann kann man sehen, dass sich der eschatologische Untergangsglaube von Luther bei Melanchthon ansatzweise in einen Fortschrittsglauben gewandelt hat. Oder, wie sich Hans Blumenberg in seinem Werk: Die Legitimität der Neuzeit (2012, 56-7) ausdrückt: “In der christlichen Tradition ist das Paradies niemals attraktiv gewesen, [denn] was schon gewesen ist, kann nur enttäuschend sein.”.

 

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Martin Luther als Playmobil-poppetje zonder zijn eega Katharina von Bora

b9e4vg_ieaaeznp

Op 4 april publiceerde Sterre Lindhout in de volkskrant een artikel over Martin Luther als Playmobil-poppetje. Volgens het artikel is Luther als Playmobil-poppetje een succesverhaal, d.w.z. het is vooral  een verkoopsucces (2,99 Euro per stuk) in toeristenwinkels die van het Lutherjaar profiteren.

Interessant genoeg legt het artikel een verband tussen het verkoopsucces van het poppetje en de mentaliteit van de mensen die het poppetje kopen:  ” Zo’n cijfer bewijst hoe christelijk Duitsland nog is, niet zozeer in religieus als wel in cultureel opzicht.”.

Wat echter ontbreekt aan de playmobil Luther is ‘seine bessere Hälfte’ , de vroegere non Katharina von Bora of, zoals Luther haar liefdevol noemde: “mein Herr Käthe”, want zij runde zijn niet onaanzienljke huishouden in Wittenberg.

 

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Als unser Deutsch erfunden wurde. Reise in die Lutherzeit.

resiOoit een vermakelijk boek over de Protestantse Reformatie gelezen? Ruim voor het Lutherjaar 2017 is het Bruno Preisendörfer gelukt een boek over het tijdperk van de reformatie te publiceren. En zo komt het dat sinds zomer 2016 het bovengenoemde boek op de bestsellerlijst voor populair wetenschappelijke boeken van het Duitstalige politiek weekblad DER SPIEGEL staat.

Om wat gaat het in dit boek? Het boek heeft twee titels, die het programma van het boek goed neerzetten: Reise in die Lutherzeit, om met de ondertitel te beginnen, toont aan, dat vanuit een hedendaagse perspectief naar de tijd van Martin Luther (1483 of 1484-1546) wordt gekeken. Als unser Deutsch erfunden wurde, verwijst naar de de beoogde insteek van het boek: de soms meer en soms minder duidelijke culturele en sociale omstandigheden transparant te maken, die ertoe bijdroegen dat de Duitse taal zich in het 16e eeuw boven een mengelmoes van lokale schrijfdialecten kon verheffen.

Dat Luther met zijn ”Wortgewalt”en “Schreibdrang” op grote schaal invloed had op het ontstaan van een genormeerde Duitse schrijftaal is bekend. Bekend is ook, dat ‘zijn’ Bijbelvertaling hierin als medium een belangrijke rol speelde. Maar de auteur laat − op dit moment en ook op andere − geen kans voor deconstructie liggen, en hij bevestigt wat binnen de academische wereld al lang bekend is, namelijk dat de Lutherse Bijbelvertaling geen ingenieus “Einzelwerk” is, maar dat net zoals elk ander cultureel product op eerdere doorborduurt. Toch beklemtoont hij Luthers taalvaardigheid, die erin slaagde juist een genormeerde schrijftaal toegankelijk te maken voor het gevoel en voor het geheugen. Bekend zijn ook de Lutherse neologismen, zoals bijvoorbeeld “friedfertig”, “kleingläubig” en “gottselig”, die alle zonder stoflaag het heden hebben gehaald.

Het boek bevat dertien hoofdstukken variërend in lengte, die vrij verschillende topoi behandelen, zoals bij voorbeeld “ Geldleute”, “Ernährung”, “Kleidung” en “Leiblichkeit”. De bronnen, die hierbij geraadpleegd werden en waaruit soms letterlijk geciteerd wordt, zijn op de eerste plaats de geschriften van Luther en – via de zogenoemde Tischreden[1] – ook de orale nalatenschap van Luther.

Wat deed Luther met zijn vaak brutale en directe, maar altijd oprechte, “Wortgewalt” voor het verspreiden van de Duitse taal? Hij hield zich met van alles en nog wat bezig of − uitgedrukt in de Duitse omgangstaal − zou ik zeggen: ‘Er gab überall seinen Senf dazu’. Maar Luther was geen academische schrijver, hij was op de eerste plaats een ‘Seelsorger’: iemand die zich zorgen maakte over de zielen van de gelovigen en juist om deze reden moest hij ook over alles een mening hebben en deze met alle hem ter beschikking staande mediale middelen de wereld in sturen. Dat het opkomen van het gedrukte woord Luther ter hulp schoot, en dat hij hiervan vaardig gebruik maakte, is bekend.

Is het boek een aanrader?

Het hangt ervan af, zou ik zeggen. Diegene, die geschiedenis als hoofdberoep uitoefent, zou er waarschijnlijk niet veel nieuws in vinden, behalve de een of andere “brutalpoetische” term rechtstreeks uit de Lutherse veder. Anders is het misschien met het vrij uitgebreide apparaat (bijna honderd pagina’s), die het boek heeft. Voor academisch onderzoek kan men hier toch de een of andere bruikbare bron vinden. Voor diegene, die gewoon geïnteresseerd is in de gang van zaken op deze aardbol en daar zonder veel moeite in wil duiken, is het boek een aanrader. Vanuit dit perspectief laat het boek ook zien, hoe het mogelijk is, kennis, die is opgedaan door wetenschappelijk onderzoek, profijtelijk (ook in de letterlijke betekenis van het woord) naar een breder publiek te vertalen. Hier moet ik dan nog helaas een kleine maar aan toe voegen: het boek is fraai opgemaakt, maar heeft  een paar serieuze typo’s, dus geen grammaticale fouten, maar fouten die duidelijk het resultaat zijn van een te haastige proces van redigeren.

Bruno Preisendörfer: Als unser Deutsch erfunden wurde. Reise in die Lutherzeit.
Uitgever: Verlag Galiani Berlin bij Verlag Kiepenheuer & Witsch, Köln 2016.
Omvang: 472 p. ISBN: 978-3-86971-126-3. Prijs: € 24,99

[1] Kurt Aland (ed.): Tischreden.Stuttgart: Reclam 1986. Een gedigitaliseerde versie is online gratis beschikbaar: http://digi20.digitale-sammlungen.de/de/fs1/object/display/bsb00051825_00001.html.

Posted in Uncategorized | Leave a comment